Loofhuttenfeest (Soekot)

Gepubliceerd op 25 september 2026 om 16:19

Vanavond begint in Israël Soekot ofwel het Loofhuttenfeest. Loofhutten worden nagebouwd in de tuin of op het balkon. En men vertoeft zoveel mogelijk in de loofhut. Lijkt me best leuk om te doen. Er is van alles aan eten en drinken ingeslagen voor het feest. En ik hoop van harte dat het in Israël rustig mag blijven. Dat het echt een feest is.

 

Ik vond het altijd boeiend en spannend als mijn vader het voorlas uit de Kinderbijbel. En later natuurlijk uit de ‘gewone’ Bijbel. Op den duur kende ik de geschiedenis zo’n beetje uit m’n hoofd.

 

De Israëlieten hadden de zee achter zich gelaten. De wateren die zich hadden gespleten voor hun voeten, verzwolgen Farao en zijn leger. Farao had er spijt van dat hij Israël weg had laten gaan en joeg hen achterna, maar moest dat met de dood bekopen. Nu lag de woestijn voor hen: een eindeloze vlakte van steen, zand en stilte. Mozes stond vooraan, de staf in de hand, en keek naar de horizon die trilde van de hitte. Achter hem stonden honderdduizenden mannen, vrouwen en kinderen, met hun kudden en hun tenten, hun hoop en hun angst.

 

In de eerste dagen was er nog vreugde. Ze zongen van bevrijding. De hete wind droeg hun stemmen mee over de rotsen. Maar al snel begon de dorst. De waterzakken raakten leeg. Kinderen huilden. Mannen mopperden. “Waarom heeft de Heer ons hier gebracht om te sterven?” klonk het tussen de tenten. “Waar zijn we in vredesnaam aan begonnen?” Mozes sloeg op de rots bij Horeb, en water stroomde tevoorschijn, koel en overvloedig.

 

Elke ochtend viel het manna. Witte vlokken op de grond, zoeter dan honing als men het kookte, taai als brood als men het at. Wie te veel verzamelde, zag het rotten. Wie te weinig, vond genoeg. Zo leerden zij dagelijks te vertrouwen. ‘s Avonds kwamen de kwartels, een wolk van vogels die neerstreken en gemakkelijk te vangen waren. Vlees en brood, dag na dag, jaar na jaar. Toch klaagden sommigen over de eentonigheid. “In Egypte hadden we uien en knoflook,” zeiden ze. “Hier is alleen dit witte goed.”

 

Bij de berg Sinaï donderde de Heer en gaf de wet. Donder en bliksem, rook en vuur. Het volk beefde en stond op afstand. Mozes klom omhoog. (Bekend grapje: wat was de eerste auto? Een eendje, want Mozes ging in z’n eentje de berg op. Ik dacht weleens: wat zal hij vaak hebben moeten schakelen met die versnellingspook in het dashboard. Hahaha). Hij kwam terug met stenen tafelen. Vanaf die dag droegen zij niet alleen hun tenten, maar ook een verbond. De tabernakel werd gebouwd: hout, goud, doeken van blauw en purper. In het midden stond de ark, en daarboven zweefde de wolk overdag en het vuur ‘s nachts. Wanneer de wolk optrok, braken zij op. Wanneer zij stilstond, sloegen zij hun kamp op. Zo trokken zij, stap voor stap, door een land zonder paden.

 

Veertig jaren. Wat een tijd! Generaties werden geboren en stierven onder de open hemel. Kinderen die de Nijl nooit hadden gezien, leerden lopen op zand. Oude mannen die de stenen van Egypte hadden gesjouwd, legden hun botten neer in de wildernis. Korach kwam in opstand en de aarde opende zich. De verspieders brachten slecht nieuws over het Beloofde Land en het volk weigerde binnen te gaan. Toen sprak de Heer: “Geen van deze generatie zal het land zien, behalve Kaleb en Jozua.” De straf was duidelijk. Zij zouden rondzwerven tot de laatste van hen gestorven was.

 

Bij de bronnen van Elim, waar twaalf waterbronnen en zeventig palmbomen stonden, rustten zij en herinnerden zich genade. Wanneer slangen hen beten, hief Mozes een koperen slang op een stok, en wie opkeek, bleef leven. Elke beproeving was een les: dat water uit rotsen kan komen, dat brood uit de hemel kan vallen, dat een volk kan overleven zonder muren of koningen, alleen door de aanwezigheid van God.

 

Jaren gingen voorbij. De kinderen van de uittocht werden volwassen. Zij kenden geen andere wereld dan de tent, de wolk en het manna. Zij hoorden de verhalen van hun vaders over bakstenen en zweepslagen, maar die verhalen klonken ver. Voor hen was de woestijn thuis. Zij leerden vechten tegen Amalekieten, zij leerden de wet van buiten, zij leerden wachten.

 

Toen kwam de dag dat de wolk stil bleef staan aan de oever van de Jordaan. Mozes klom de berg Nebo op. Van daar zag hij het land: groen in de verte, rivieren die glinsterden, steden die wachtten. Hij zou er niet binnengaan. Als kind vond ik dat heel zielig voor Mozes, waarom mocht hij het Beloofde Land nou niet in? Maar God vond dat zijn taak volbracht was. Hij legde de handen op Jozua en sprak tot het volk: “Wees sterk en moedig. De Heer gaat voor u uit.”

 

Veertig jaren. Niet omdat de weg zo lang was, maar omdat het volk weerspannig was aan de Heer. In die jaren werd een slavenvolk tot een natie gevormd. Zij leerden dat vrijheid meer is dan het ontbreken van ketenen. Zij leerden dat God dichterbij is in de dorst dan in de overvloed, dichterbij in de stilte dan in het lawaai van de steden. Toen zij eindelijk de Jordaan overstaken, droegen zij niet alleen hun wapens en hun kudden mee. Maar ook de herinnering aan alles wat ze hadden meegemaakt. Aan hen die ze achter moesten laten. 

 

Wat een geschiedenis hè. Niet te geloven. Geen wonder toch dat Israël zo veerkrachtig is. Huizen en bossen door oorlog verwoest? Ze beginnen gewoon opnieuw te bouwen en te planten. Van zo’n volk moet je toch houden.

Am Yisrael Chai!

 

Ik wens alle Joden een goed Soekot.

 


Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.